Het licht van de hemel was ontstoken, en het uitspansel gevestigd, maar nu daalt Hij neer tot deze lagere wereld, de aarde, die bestemd was voor de kinderen van de mensen, bestemd beide tot hun woning en om hen te voeden en te onderhouden, en hier wordt ons bericht, hoe zij voor die beide geschikt werd gemaakt, het bouwen van hun huis, en de toebereiding van hun tafel. (Henry)
Eerst was er niets te zien dan water: God heeft de aarde gegrond op de zee챘n, zegt de Psalmist (#Ps 24.2). Op de tweede dag was niets nieuw geschapen. Aarde en water waren reeds gevormd. God bracht scheiding tussen deze delen op de derde dag door de aarde naar boven te laten komen. Op dat vasteland voorzag Jehovah begroeiing (# Ge1: 9-13; Pr. 8:25, 29; Ps. 104.7-9)
9 “God sprak: ‘Het water onder de hemel moet naar een plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.’ Zo gebeurde het.” (Ge 1:9 WV78)
/ Laat die waters onder die hemel hulle op een plek versamel, sodat die dro챘 grond sigbaar word. (AFR53)/ "Laat het water onder de hemel samenstromen in zee챘n en het droge land zichtbaar worden." (BOEK)/ samenvloeien naar 챕챕n plaats, zodat het droge te voorschijn komt. (CANIS)/ ‘Al het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat een deel van de aarde droogvalt.’ En zo gebeurde het. (GNB)/ God sprak: Vloeie al het water dat onder den hemel is in een plaats samen, opdat het droge te voorschijn kome! Alzo geschiedde het. (LEI)/ En God sprak: Het water vergadere zich onder den hemel in bijzondere plaatsen, zodat men het droge zie: en het geschiedde alzo (LU)/:samenvloeien(NBG51; WV95) / Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo. (STV)
Door het derdeopus distinctionis wordt het vasteland gescheiden van de zeeën. Oorspronkelijk was het aardoppervlak overdekt door het chaoselement van de “zee” (# Ps 24.2; 104.6). Door Gods werking (bedreigend woord: # Ps 104.7) komen de wateren op ,,eenzelfde (goed bepaalde) plaats” terecht (# Ps 33.7; 10437; Jer 5.22; Pr 8.29; Job 38.11) Volgens De Fraines en moet men maq6m/ maq척m (,,plaats”) niet corrigeren door miqweb/ miqweh, ,,het samengevloeide” (uit # Ge 1.10) zoals de LXX schijnt te doen. (BOT)
Zo verzamelde het water zich in de afgesloten bewaarplaatsen, zodat het niet meer de hele aarde overstroomde. (#Job 38.8-11;#Ps 104.6-9). Wellicht door
ontzettende beweging, wellicht door onderaards vuur ontstond de diepte en
vormden zich de hoogten van de aarde. De onbewerktuigde natuur werd gevormd; de grondslag en bodem van alle latere gewrochten werd gelegd.
(KEIL).
De bijhorende verschijnselen van mogelijke donderslagen, aardbevingen en vulkaanuitbarstingen worden later beschreven: (#Job 38:10 Ps 104:6-8)
(# Job 38:10) toen Ik haar paal en perk stelde, de poort vergrendelde
(# Ps 104:6-8) dekte haar met een sluier, de oerzee. Het water stond boven de bergen.Doch het week voor uw dreigen terug, het vlood voor de stem van uw donder: en de bergen kwamen omhoog, hun kloven werden tot dalen alnaar Gij de plaats hun beschikt had.
10 De reeds op de tweede dag begonnen scheiding van de wateren was nu voltooid en de aarde had naar haar bestanddelen, oceaan en vast land, de bestemde gedaante verkregen.
De indijking van het zeewater is weer een symbool van Gods macht; maar steeds blijft de Zee als iets vijandigs Voor Gods scheppingskosmos dreigende chaosmachten moeten voortdurend door God worden bewaakt (# Job 7.12) en bedwongen (# Ps 89.10; Job 26.12). Op het einde van (# Ge 1.9) voegt de LXX de tekst in:
,,en het water onder de hemel vloeide samen naar zijn verzamelplaats, en het droge werd zichtbaar”.
Waters (AFR53); zeeën (BOEK, NBG51, STV); zee (CANIS, GNB, LEI, LU? WV95)
Er staat niet: zee, maar: zeeën, omdat door dit woord bij de Hebree챘n niet alleen verstaan wordt de grote zee, gelijk {#Pre 1:7}, maar ook andere zeeën, poelen, meren en alle verzamelingen van wateren. Zie {#Ge 14:3 Ex 14:23 Nu 34:11 Mt 4:18 Joh 21:1}, en elders.
Lit. : J. Sperna Weiland, God en Zee (Ned. Theol. T. 8, 1953/4, 1-15; 15-18; 18v); (BOT) (Poole).
Het droge land “hayyabbashah,” letterlijk “het droge” slaat op de continenten. Het ww tera’eh slaat er op dat het mag gezien worden.
(# Ge 1:11-12) “God sprak: ‘Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het. En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was.” (WV78)
God zag, dat het goed was, de wateren van de aarde te scheiden. Dan geeft Hij de opdracht aan de aarde om groen voort te brengen. Zo, door Gods gebod wordt de aarde in haar eigen aard geconstitueerd doordat ze, dank zij Gods bevruchtend woord, de planten voortbrengt (# Ps 104.14). Jehovah is een sprekende God die zich bekend maakte,
bij machte is Zijn verlangen te realiseren en voorziet in het voortbestaan van
Zijn schepping. Hij zorgt dat de aarde zichzelf verder zal kunnen in leven
houden. Levensmogelijkheid en levensonderhoud voor mens en dier gaan de
schepping van de levende wezens vooraf.
Strikt genomen horen deze vss reeds bij het opus ornatus; anderzijds maakt de plantengroei normaal deel uit van het vasteland (voor een Hebreeër hebben de planten geen nefes (ziel) of levensbeginsel). Om de totaliteit te suggereren worden drie soorten gewassen opgesomd: in het wild groeiende (‘jong groen’ ‘gras’)(als in # Ps 37.2; 2Sa 23.4; Job 38.27), kruiden (챕sebh) zaaddragende granen en groenten (die zelf uit zaad zijn ontstaan: (# Jer 14.6; Ps 106.20), en zaadgevende zaden (mazría’ zéra’), (ets peri,) of vrucht dragende bomen.
“God sprak: De aarde moet groene planten voortbrengen, zaaddragend gewas
en vruchtbomen, die zaadvruchten dragen op aarde, elk naar zijn soort. Zo geschiedde.” (CANIS) / gewassen , zaaddragende planten en vruchtbomen met zaad in hun vruchten op aarde groeien.(BOEK)
Zo krijgt men de melding van de schepping van een breed gamma planten waartussen van gras tot bomen niet eetbare en eetbare tussen zijn. De grassen of déshe’ betekenen ook “vochtig zijnde” en kan ook terugslaan op mossen en andere aardbodembedekkers of gewoon op plantengroei die voldoende vocht bevat. Betreft de kruiden gaat het over die planten die zaad van zich voortbrengen, dragen, geven en uitwerpen; alzo onder {#Ge 1:12,29}. Verder is er het “geboomte der vrucht” (vruchtdragend; vrucht voortbrengend > karpos (vrucht); akarpos (onvruchtbaar); karpophreoo (vrucht dragen)
Van deze drie “soorten” planten wordt niet: gezegd dat: ze, in fixistische zin, door God direct geschapen werden; het gaat er alleen om dat alle planten van God het zijn gekregen hebben.
Over de betekenis van min (# Ge 1.21,25; 6.20), ,,soort’’ (verwant met temunãh, “gestalte”; LXX: nao~ouhixa), zie P. Schepens (Rech Sc. Rel. 13, 1923, 161-64).
Elk zaad heeft zijn eigenheden en produceert naargelang die eigenheden van die soort zo dat er continuïteit zal zijn op de aarde.
“Zo was het avond geweest en morgen geweest: de derde dag.” (Ge 1:13 LEI)