| Subject: | Lezing Genesis h1v3-5 #1 Eerste Dag #2 LIcht |
| Date: | Mon, 20 Jun 2005 12:55:35 +0200 |
| From: | Marcus Ampe |
| To: | bic |
Er zij licht. Hij sprak, en het was er; (Henry)
Het Licht.
Of er nevelen van stof waren zecht de bijbel niet. De chaotische massa kan onder allerlei vormen bestaan hebben. Wel was het in het duister. Doorheen alle massa kwam het licht door.
Er zij licht. Leven heeft licht nodig. Dit geldt in het bijzonder voor het leven van de mens (# Joh 1:4!).
Scheiding tussen licht en duisternis. Duisternis is niet op zichzelf boos, wordt niet door licht vervangen maar ermee afgewisseld, en blijft deel van het geheel, dat ‘zeer goed’ is. Deze scheiding van dag en nacht houdt dus nog geen verband met het licht van de zon, (# Job 37:18; Ez 1:22). De scheiding van licht en duisternis moet niet ruimtelijk opgevat worden (alsof de twee elementen vooraf door elkaar gemengd waren), maar veeleer tijdelijk, zodat de twee entiteiten zich na elkaar doen gelden. Tijdens de nacht herwint de chaos enigszins de overhand, en elke morgen herhaalt zich als het ware de schepping van het licht, Bij God is deze wisseling van licht en duisternis niet aanwezig: ,,voor U straalt de nacht als de dag, het duister als licht” (# Ps 139,12).
Dat God het Licht binnen bracht gebruiken velen om te verwijzen naar het later verrijzende Licht: Jezus Christus. (#2Co 4:6)
4. “En God zag het licht, dat het goed was.” (Bund) / God zag dat het licht goed was.
Geen half, geen onvolkomen werk, werkt God, noch in het rijk van de natuur, noch in dat van de genade; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis, en drukt er zijn goedkoring over uit. Door Mozes wordt hier God voorgesteld zijn werk beschouwende en daarin een welbehagen hebbende. Dit geschiedt echter hierom: opdat wij zouden verstaan dat God niets gedaan heeft, dan met vast beleid en volgens een welberaamd plan. (CALVIJN).
Het licht was goed, omdat Hij het zelf geschapen had. Het woord goed, moet, het spreekt vanzelf, in natuurlijke zin worden begrepen. Het betekent niet minder dan dat, -zoals hier-het volkomen kon beantwoorden aan het doel, hetwelk God zich ermee voor ogen had gesteld. (VAN GRIETHUIJSEN).
Met het zevenmaa1 (# Ge 1. 10,12,18,21,25,31).(in LXX ook 8a) herhaalde waardeoordeel “goed” wordt hier niet bedoeld, wat beantwoordt aan het doel, wat is “juist zoals het moet zijn”, Gods werk mag geslaagd heten (Gunkel); De heer verheugt zich in zijn werk (# Ps 104.31). Hierdoor wordt niet geïnsinueerd dat een mislukking te vrezen of mogelijk was, doch het gaat om het ,,geïnspireerde optimisme” dat alle ,,bederf” niet aan God maar aan de menselijke zonde wijt(# Ge 6.12). Er wordt natuurlijk niet beweerd dat de huidige wereld de best-mogelijke zou zijn.
Lit.: W. F. Albright, The Refrain ,,And God Saw Ki Tob” in Genesis (M駘anges Robert, 1957, 22.26).
Het gaat over het juist handelen (agathoer’geo, ww) waar de verteller naar verwijst om te laten zien dat God goed handelt. (Das Wort [gut] aber bedeutet s.v.a. “zweckentsprechend”; das Licht leistete was es leisten sollte.) (HBBE°
Ook voor de mens zou dit licht goed zijn. “Het licht is zalig en het is een weldaad voor de ogen de zon te zien.” (# Ec 11:7) (WV78)
5. En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht.(Bund)
“de dag schiep Gij, schiep de nacht, Gij formeerde het licht en de zon;” (Ps 74:16 WV78)
Nadat aldus de Geest van God had gezweefd over de wateren, God het licht had bevolen te schijnen, scheiding gemaakt had tussen het licht en de duisternis en ze met hun eigen namen had bestempeld; besluit Hij het werk van de eerste dag: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag.” Hier krijgen wij het beeld van de te scheiden elementen in een tijdsperiode, en een een dag bestaande uit twee delen, het lichte:dag en het donkere:nacht. Door God is van het duister, het begin, het licht gekomen welke de inzet van het vervolg kon zijn. Omdat alles aanving met het donker of de duisternis beginnen de Joden de dag met de avond, het vallen van de duisternis.
In (# Ge 1.5) wordt de term jôm eerst gebruikt voor het heldere deel van het etmaal, daarna voor de volledige duur van één etmaal [vgl. (# Ge 2.4): een onbepaalde duur]. In de maankalender, die hier gevolgd wordt, eindigt de dag niet met de avond, maar met de ochtend [vgl. (# Ne 13.9; Da 8.14)]. De officiële cultusdag begint en eindigt met de avond: de sabbat zet in met de vooravond van de zaterdag en eindigt met de avond van die dag (# Le 23.32; Ex 12.18; Ps 55.18); vgl. A. Fernandez, Factumque est vespere et inane, dies anus (VD 3, 1923, 89-91). De naamgeving door God (eigenlijk een soort oproepen en opvorderen; [vgl. (# Ge 17,5; 35,10; Mt 16,18)] is een bewijs van zijn soevereiniteit (# 2Ki 23,34; 24,17).
Niets wijst er op dat de periode van duisternis en de daaropvolgende periode van licht te plaatsen vallen op een 24uurs gebeurtenis. Het kan een figuurlijke voorstelling zijn van de eerste en teede periode met de gebeurtenissen zo vervolgens ingedeeld onder de beschrijving van dagen. In de ltherse vertaling is mee vrijheid gelaten door te zeggen dat het worden van avond en het komen van het licht, de eerste dag uitmaakten.
“und nannte das Licht Tag und die Finsternis Nacht. Da ward aus Abend und Morgen der erste Tag.” (Ge 1:5 LUT) “God noemde het licht dag, en die duisternis noemde Hij nacht. Uit de avond werd het ochtend; dat was de eerste dag.” / “Toen scheidde God het licht van de duisternis, en noemde het licht dag, en de duisternis nacht. Toen werd uit avond en morgen de eerste dag.” (# Ge 1:5) (LU)